Proza

Nooit meer natte kousen

Op de dag dat hij uit het raam sprong zei mijn moeder: ‘Alfonso was een beetje achterlijk.’
‘Jij ook,’ zei ik. Die dag kreeg ik geen avondeten.

Ik lag in de bloemperken die mijn vader zorgvuldig had aangelegd.
‘Ieder zichtbaar stukje potgrond is een bloem te weinig,’ zei hij dikwijls.

Mijn buik drukte de viooltjes en de chrysanten plat en de koude aarde werd klam en kleefde aan mijn huid. Ik wist dat Alfonso aan de andere kant van de schutting lag, die onze tuinen scheidde. De schutting was een guillotine. Toen ik mijn hoofd eronder door stak sneed de scherpe houten rand in mijn nekvel.

‘De mieren kietelen,’ fluisterde Alfonso toen hij mij zag. 
In zijn tuin waren geen bloemen, maar harde betontegels waarover ik nu met mijn kin schraapte.
‘Kaasrasp,’ zei ik. 
Alfonso grinnikte en stopte het rietje van zijn ranja in mijn mond.

Zo lag ik hele middagen met mijn hoofd op het beton. Soms deed Alfonso alsof hij op mijn hoofd wilde gaan springen, terwijl hij helikoptergeluiden maakte. Noodlanden, noemde hij dat. Ik heb hem nooit verteld dat dat geen werkwoord is.

Ik heb het dons op zijn bovenlip zien groeien als onkruid. Het bosje groeide in een zomer tijd. Hij zei dat het kuikentjesdons was, maar ik zei dat dat niet kon omdat hij een havik was. Hij had een kromme neus.

Die zomer hing er zoet in de lucht. Het sluimerde in nevelen boven de grond en bleef soms haken in de coniferen. Dat was het enige groen in zijn tuin, die coniferen. Omdat ik bang was voor spinnen, haalde hij ze iedere ochtend eruit zodat ik ze niet zou zien. Dat hoorde ik later van zijn ouders.Ik zelf dacht dat spinnen niet van coniferen hielden.

In de zomer van het donshaar, hoorde ik Alfonso huilen. Ik durfde mijn hoofd niet onder de schutting door te steken om te kijken, daarom schoof ik er een zakdoek onderdoor. In plaats van de zakdoek te pakken, pakte hij mijn hand en hield hem vast. Hij heeft hem pas losgelaten toen het donker werd en hij niet meer huilde.

‘Kom je bloemkool eten,’ vroeg ik toen, want ik had geen gevoel meer in mijn arm.
Dat was de eerste keer dat Alfonso bij ons thuiskwam. Hij stond met zijn blote voeten op de zwart-witte tegeltjes in de hal en keek naar het plafond.
‘Als je daar ook tegeltjes op plakt, is het symmetrisch,’ zei hij.
‘Dat is een stom idee,’ zei ik, maar Alfonso liep al naar de woonkamer. Ik zag nu pas dat hij mank liep.

Sinds die dag zat Alfonso de hele zomer naast mij in de bloembedden.

We keken hoe mijn moeder het huis schoonmaakte. Het meest genoot hij als ze de was deed. Het beddengoed schudde ze uit vanaf het slaapkamerraam op de bovenste verdieping.
‘Er komt een dag waarop de veren eruit zullen vliegen,’ zei hij een keer.

Op een ochtend stond ik alleen in de tuin en gleden de veren als sneeuwvlokjes door de zoete lucht.
Ze aaiden mijn blote bovenarmen en kriebelden in mijn neus. Bovenaan het slaapkamerraam stond Alfonso met de schaar in zijn hand.

Nog meer dan van veren hield Alfonso van natte kousen. Mijn moeder hing haar kousen bij mooi weer aan de droogmolen in de tuin. Terwijl ze dat deed lag hij plat op zijn buik op de loer. Zijn ogen volgden schichtig de beweging van haar handen. De ene kous na de andere verslond hij met zijn ogen.

Als mijn moeder dan eindelijk klaar was, griste hij een aantal nog natte kousen van de droogmolen en stopte ze in zijn broek.
Toen ik een keer vroeg waarom hij dat altijd deed, zei hij: ‘Natte kousen geven een lekker gevoel tussen je benen.’ Ik weet zeker dat hij dat niet vies bedoelde.

Een paar weken voordat alles fout ging in de zomer van het donshaar vertelde hij me dat hij van Chuck Berry hield. Eigenlijk liet hij het me horen. Midden in de nacht stond hij voor de tuindeur. Onder zijn arm had hij een paar platen geklemd.

‘Het is belangrijk dat je de vloer ontwijkt,’ zei hij, terwijl hij de naald op de eerste plaat legde. 
’Mijn ouders slapen,’ fluisterde ik en hij legde een deken over de box. 

We luisterden naar een gedempte Chuck Berry en toen we dansten voelde ik de kousen in zijn broek.

Een paar betontegels in zijn tuin zaten los. Eronder krioelden pissebedden. Alfonso pakte een wasteil en liet me zien dat pissebedden kunnen zwemmen. Ik rookte mijn eerste sigaret en moest hoesten.

Die sigaret was een vloeitje gevuld met gras, want we hadden geen shag. We woonden vlak bij het bos. In dat bos leerde ik dat een beekje geen sloot is. Alfonso wilde slootje springen met afgebroken takken die hij in de zanderige bosgrond stak. Hij nam een aanloopje, maar met zijn manke been leek hij niet op een atleet. Als ik mijn ogen sluit kan ik nog steeds zijn geschater horen dat na de plons volgde toen hij in de beek viel.
‘Ik ben geen pissebed,’ zei hij, want hij kon niet zwemmen.

Thuis nam mijn moeder hem mee naar de badkamer en zette hem op de wasmachine om hem af te drogen. De wasmachine draaide op volle toeren, net zoals Alfonso op volle toeren leefde. Alles draaide nat en rond.

Mijn moeder deed de deur voor mijn neus dicht. ‘Anders tocht het en vat hij kou,’ zei ze. Het duurde lang voordat ze weer met Alfonso naar buiten kwam.
Ik wilde weer naar het bos, maar hij zei dat hij naar huis ging.

De dagen daarna deed mijn moeder steeds vaker de was en zat Alfonso op de wasmachine naar onderen te kijken. Ik bleef in de tuin. Ik hield niet van wasmachines.

Na enige tijd besloot ik dat ik er genoeg van had dat hij steeds bij mijn moeder zat. Ik sloop naar de badkamer met een laken waar ik gaten in had geknipt over mijn hoofd. Zachtjes deed ik de deur op een kier, maar nog voor ik ‘boe’ kon roepen zag ik dat mijn moeder haar handen in de broek van Alfonso had.

Ik wilde iets schreeuwen, maar ik schreeuwde nooit. Ik wilde huilen, maar ik huilde nooit. Ik wilde verdwijnen onder mijn witte laken, maar dat wat ik zag verdween niet.

We liepen met z’n tweeën over straat. Alfonso trapte steeds een voetbal voor zich uit. Mijn moeder wist niet dat ik hen had gezien. Alfonso wel en daarom zei hij niks. Mijn ontdekking hing in een hangmat tussen onze schouders. Als een van ons te snel zou lopen zou het eruit vallen. Ik liep sneller.

‘Wat mijn moeder deed,’ begon ik. ‘Dat is niet normaal, hoor.’
‘Nee,’ mompelde hij en stopte met het trappen tegen de bal.
Ik ging op de rand van de stoep zitten. ‘Dat kan toch niet.’
‘Voetballen,’ vroeg hij. Ik gooide de bal heel hard tegen zijn haviksneus en liep weg.
Zijn bloedneus druppelde op het asfalt.

Nu lag Alfonso hele dagen met zijn hoofd onder de schutting. Met zijn kin op de koude aarde, die klam werd en aan zijn huid bleef plakken. Hij schreef briefjes en die schoof hij tussen de bloemen.
Op de eerste stond: ‘kaasrasp?’ Ik kon er niet om lachen.

Aan het avondeten vroeg mijn moeder regelmatig waarom Alfonso nooit meer kwam. Een keer wierp ze een blik op het raam en vroeg met overslaande stem waarom Alfonso’s hoofd onder de scherpe schutting uitstak.
‘Was het maar een echte guillotine,’ dacht ik. Maar ik zei: ‘Omdat Alfonso gek is.’
Mijn moeder liet haar vork kletterend op haar bord vallen. ‘Zo is het genoeg,’ brieste ze en stapte met ferme pas naar de schutting.
‘Alfonso,’ schreeuwde ze. ‘Wil je daar onmiddellijk onderuit komen? We hebben een voordeur.’

Kennelijk wilde ze doen alsof er niets aan de hand was. Alsof zij niet met haar handen in zijn broek had gezeten. Tegen de tijd dat Alfonso in de huiskamer stond, was ik al naar de kelder gerend. Ik beeldde mij in dat de kelder een schuilkelder was, omdat het gestamp van mijn moeder tegen de deur klonk als een bombardement.

Nu stond Alfonso aan de deur. ‘Mag ik naar beneden komen,’ vroeg hij.
Hij vroeg het zoals hij ooit vroeg om een wasteil voor de pissebedden.
‘Alleen jij,’ zei ik en ik haalde de grendel van de deur.
Hij glipte redelijk snel voor zijn manke been naar binnen. In de kelder lagen conservenblikjes en op de muur stonden schilderingen van Donald Duck. Ergens in een kast vonden we stripboeken.
Met onze ruggen tegen elkaar lazen we tot we ze allemaal uit hadden. Ik hoorde hoe mijn ouders de trap opliepen en naar bed gingen.
‘Zullen we er nooit meer over praten,’ stelde ik voor.
Alfonso knikte alleen maar. Sinds ik die bal tegen zijn neus had gegooid stond hij nog schever.

Ik weet niet waarom ik er niet meer over wilde praten. Ik denk dat ik Alfonso niet wilde verliezen door de handen van mijn moeder of misschien omdat zwijgen soms eenvoudiger is dan praten.

De daaropvolgende herfst en winter zag ik Alfonso niet veel. We gingen beiden naar een andere school en de dagen gleden voorbij als onze schaatsen op het ijs in de beek.
‘Weet je nog,’ begon ik een keer. ‘Afgelopen zomer?’
We zaten langs de kant van het beekje en keken naar onze vervormde gezichten.
‘Ja, natte kousen,’ zei hij en ik werd een beetje misselijk.
Het dons op zijn bovenlip veranderde in stugge zwarte haartjes. Hij zei dat hij het pas zou scheren in de lente, als de kuikens waren geboren.

Naarmate het weer warmer werd ontdooide ook het ongemakkelijke gevoel dat nog altijd tussen Alfonso en mij heerste. We zaten weer tussen de bloemperken en dat was vertrouwd.
‘Mensen zijn eigenlijk best gemeen,’ zei hij.
‘Nou, ze bedoelen het goed.’ Ik plukte een takje van de conifeer en rook eraan.
‘Vogels zijn veel eerlijker.’ Hij leek steeds meer op een havik.
‘Hoe bedoel je,’ vroeg ik, maar hij gaf geen antwoord meer. Hij staarde naar de lucht zoals hij de vorige zomer naar het plafond in de hal had gestaard.

Er kwam een dag die Bevrijdingsdag heette. Alfonso en ik stonden in de badkamer. Ik had het scheermes van mijn vader in mijn hand en hij blies schuim rond zijn lippen weg.
Ik sneed alsof ik alle smet die aan hem hing wilde wegsnijden. Ik wilde hem polijsten.
‘Au,’ gilde hij. Ik had in zijn wang gesneden.
Ik likte het bloed van zijn wang. Het smaakte naar ijzer. ‘Het spijt me,’ zei ik.

Hij stond met zijn rug tegen de wasmachine aangedrukt. Het licht wrong zich door het verbleekte gordijn dat voor het raam hing. Het wierp reliëf op zijn gehavende gezicht.
‘Havik,’ zei ik glimlachend, terwijl ik hem kuste.
‘Laat me los,’ schreeuwde hij.

Er kwam een dag waarop ik besloot dat mijn moeder voor mij niet meer bestond. Ze had Alfonso in haar handen verpulverd als een koekje. Het kraakte als crêpepapier.
We zaten op het bed van mijn ouders. Ik keek naar Alfonso, naar het haar op zijn bovenlip dat er nog half zat en naar de snee in zijn wang. Alfonso keek naar het dekbed en zijn vingertoppen zochten naar de veren. ‘Het spijt me,’ zei ik voor de tweede keer die dag.

Het was Bevrijdingsdag en Alfonso opende het slaapkamerraam.

Terwijl hij in de vensterbank klom hoorde ik Chuck Berry gedempt zingen. Ik dacht aan mijn hand in zijn hand, aan natte kousen en aan pissebedden. Ik dacht aan mijn moeders handen en ik wist dat hij weldra vrij zou zijn.

En precies op het moment dat hij sprong besefte ik wat hij echt bedoelde toen hij zei: ‘Er komt een dag waarop de veren eruit zullen vliegen.’

Finaletekst Write Now! 2009 – © Amber-Helena Reisig

Advertenties